PROVINCIE: Pleidooi voor vroeger aanleren van tweede taal in basisonderwijs in Zuid-Limburg

Beleidsverklaring ONDERWIJS – 26 november 2007 – Tussenkomst van Hugo Biets

Mijnheer de gouverneur, Mijnheer de griffier, Geachte voorzitter, gedeputeerden en collega’s-raadsleden, Geachte dames en heren

In de beleidsnota Onderwijs lees ik op bladzijde 11 (ik citeer): “Limburg heeft een zeer groot aangrenzend « buitenland » waar Frans of Duits wordt gesproken. Kennis van die buurtalen is voor Limburgers zowel economisch als cultureel belangrijk en dus ook een troef in de zoektocht naar een geschikte job of een handelspartner over de grens.” (Einde citaat).

Een waarheid als een koe. Een waarheid die ongetwijfeld geldt voor heel Limburg, maar – naar mijn bescheiden mening en met betrekking tot de kennis van het Frans – nog meer, nog feller voor de gemeenten in het zuiden van de provincie, de gemeenten die het dichtst gelegen zijn bij de taalgrens met de provincie Luik.

In de jongste decennia is de kennis van het Frans, overal in Vlaanderen, dus ook in Zuid-Limburg, onmiskenbaar fel achteruit gegaan. Ik weet dat sommigen daar allerminst rouwig om zijn. Ik begrijp hun – historisch perfect verklaarbaar – vooroordeel ten aanzien van alles wat zweemt naar het Frans: het Frans als medium van verfransing, ook vandaag nog in “de Vlaamse rand rond Brussel”. Maar ik geloof niet dat zulk vooroordeel màg spelen met betrekking tot “de Vlaamse rand rond Luik”, met betrekking dus tot Zuid-Limburg.

Voorzitter,
nIk ken lang niet alle feiten en lang niet alle cijfers. Maar ik heb méér dan alleen maar de indruk dat de achteruitgang van de kennis van het Frans in de provincie Limburg recht evenredig is aan de vooruitgang van de kennis van het Nederlands in de provincie Luik. Dat is niét goed. Dat betekent dat we bezig zijn terrein te verliezen. Dat betekent dat we bezig zijn een aantal beroepsmogelijkheden te verkwisten en dus een aantal toekomstkansen te verkwanselen voor een aantal van onze Limburgse jongeren, zeker in de steden en gemeenten dichtbij de taalgrens en dat aan wéérszijden van die taalgrens. Dat is niet goed.

Laat ons toch eerlijk zijn: met een onderwijssysteem in Vlaanderen waarin het nog altijd de algemene regel is dat men pas begint met het aanleren van een tweede taal vanaf het vijfde leerjaar van het basisonderwijs en dat dan bovendien slechts gedurende drie lesuren per week, – collega’s, laat ons eerlijk zijn: dààrmee komen we er niet.
nHet vijfde leerjaar is gewoonweg té laat, zelfs veel te laat. En drie lesuren per week is gewoonweg té weinig, zelfs veel te weinig.

Moeten we dan maar voor het andere uiterste kiezen: voor de totale of quasi-totale onderdompeling in een taalbad vanaf de 1ste graad van het lager onderwijs of zelfs vanaf de kleuterklas? Ik ben geen pedagoog. Ik weet het niet en ik durf dààr dan ook niét voor pleiten.

Maar ik weet wél dat er vorig schooljaar in 17 van de Franstalige gemeenten van de provincie Luik dergelijk taalbad-onderwijs, dergelijk immersie-onderwijs aanwezig was. Waarbij tot 75 % van het aantal lesuren in het basisonderwijs, en niet zelden zelfs in het kleuteronderwijs in het Nederlands gebeurde. Terwijl het aantal tweetaligen Nederlands-Frans bij ons steeds kleiner dreigt te worden, wordt dat aantal tweetaligen in de provincie Luik dus steeds groter.

Dààrvoor blind blijven zou betekenen dat we – zoniet alle dan toch zeer vele jobs waarvoor de kennis van Nederlands én van Frans ofwel vereist ofwel zeer aanbevolen is, aan de neus van onze jongeren zien voorbij gaan: vooral voor onze jongeren in de Zuidlimburgse taalgrensgemeenten.

Voorzitter,
nIk besluit. Ik juich de projecten “CaroLingua” en “Euregio Competentie Plus”, projecten die op dit vlak in de voorliggende onderwijsnota zijn opgenomen, ten zeerste toe. Zoals ik ook de initiatieven op ditzelfde vlak van de Vlaamse overheid toejuich. Maar ik vrees oprecht dat we verder moeten denken, verder moeten durven en verder moeten doen.

Ik vind met name dat de algemene regel (en dus niét de uitzondering) met betrekking tot het basisonderwijs in de Zuidlimburgse taalgrensgemeenten, de verplichting zou moeten inhouden van beduidend meer lesuren Frans vanaf een beduidend vroegere leeftijd dan het vijfde leerjaar.

Ik vraag de gedeputeerde hierover een overleg te organiseren met de schoolbesturen om alvast een aantal proefprojecten van die aard in het zuiden van de provincie op te starten. Ik vind dit thema immers té belangrijk om de verantwoordelijkheid ervoor uitsluitend te leggen bij – of door te schuiven naar de individuele schoolbesturen, niet in het minst in het licht van de doorgaans zware overlevingsstrijd die vele van de nog resterende kleinere scholen in onze dorpen élke dag moeten voeren. Noem het voor mijn part gerust een pleidooi voor een zachte maar noodzakelijke “pedagogische tik” vanuit de provincie.

Collega’s, Ik weet niet of zo’n voorstel politiek realistisch is
nIk weet niet of zo’n voorstel enige kans maakt op slagen. Maar ik troost mij – alvorens zelf te zwijgen – met het woord van Willem de Zwijger: “Point n’est besoin…”: “Het is NIET nodig te hopen om te ondernemen, NIET nodig te slagen om te volharden”.

Trouwens, aan wie bij voorbaat zekerheid wil van “slagen”, geef ik de goede raad: word bokser! Want als bokser is er natuurlijk méér kans op …slagen.

Ik dank u.

Advertisements