LEEFMILIEU: Zoon van 1000-jarige eik te Nerem

Donderdag plantte schepen van Leefmilieu Hugo Biets op het Neremsplein te Nerem een "zoon" van de duizendjarige inlandse zomereik uit Lummen.

De eik speelt in onze geschiedenis een grote rol. De Germanen vereerden de eik als heilige boom van de dondergod Thor/Donar, ook wel van Wodan/Odin.

LEEFMILIEU: Ophalen van kerstdennen

Schepen Hugo Biets: “Reeds jaren wordt aan de Tongerse inwoner de mogelijkheid geboden om na de kerst- en nieuwjaarsperiode hun kerstden te laten ophalen. Ook in 2008 zal dat gebeuren. De inzameling zal gebeuren door een externe firma.”

Deze firma komt op de volgende data bij u langs:

– maandag 7 januari 2008 in de straten waar het huisvuil die dag wordt opgehaald;

– dinsdag 8 januari 2008 in de straten waar het huisvuil die dag wordt opgehaald;

– woensdag 9 januari 2008 in de straten waar het huisvuil die dag wordt opgehaald;

– donderdag 10 januari 2008 in de straten waar het huisvuil die dag wordt opgehaald;

– vrijdag 11 januari 2008 in de straten waar het huisvuil die dag wordt opgehaald.

Wel moet u alle ijzer, grond of versiering van de kerstden verwijderen. De den dient de avond voor de ophaling tegen de grens van de woning geplaatst. De firma komt slechts éénmaal langs: te laat buitengeplaatste dennen kunnen dus niet meer opgehaald worden.

ERFGOED: Quiz

Zaterdagavond richtte de Erfgoedcel Tongeren in het parochiaal centrum Sint-Jan de quiz “Het Beste Geheugen van Tongeren” in. Er kwamen 18 ploegen van vier spelers opdagen.

nDe vijf beste ploegen werden:
n1. Ploeg “Begint met een L”, een gelegenheidsploeg rond de heer Petitjean;
n2. Ploeg “Elvier” van mevrouw Lu Ruiters;
n3. Ploeg “Euh” van Patrick Verbruggen;
n4. Ploeg “De Presidenten”, een ploeg van vier kerkfabriekvoorzitters;
n5. Ploeg “Knowlegde” van mevr. Cuyx.

Hartelijke gelukwensen aan de winnaars, aan alle ploegen en deelnemers!
n

LEEFMILIEU: Prins Laurent komt

Prins Laurent gaat in op onze uitnodiging en komt op vrijdag 21 december naar Tongeren voor de uitreiking van de  milieuprijs 2007 van de stad Tongeren. Voor deze stedelijke milieuprijs zijn uiteindelijk een achttal kandidaten, met bijzondere verdienste voor onze natuur en ons leefmilieu tijdens het bijna voorbije jaar, weerhouden.

PROVINCIE: Pleidooi voor natuurlijk en cultureel Limburgs patrimonium

Beleidsverklaring Leefmilieu, Natuur en Water – 26 november 2007 – Tussenkomst van Hugo Biets

Geachte voorzitter, Dames en heren,

Vorige week dinsdag dook hij op. Ik kende hem niet. En ik heb hem ook nu nog nooit gezien. Maar het moet een gevaarlijke kerel zijn. Voor mij alvast de meest markante figuur die – althans totnogtoe – in deze raadszaal de revue is gepasseerd sinds de aanvang van onze vergaderingen over de beleidsnota’s.

Wanneer ik mijn achtbare achterbuur in deze zaal, de heer Marcel Mondelaers, mag geloven, is het personage waarover ik het heb, nochtans eerder klein van stuk. Nauwelijks 5 centimeter. Maar toch slaagt die kleine hagedis er blijkbaar in om de uitvoering van bepaalde werken aan de N-73 tegen te houden en daardoor dagelijks een fileprobleem te veroorzaken in West-Limburg.

Dat is natuurlijk niet goed. Niet voor de mensen in die dagelijkse file, niet voor de economie in de regio West-Limburg, maar ook niet voor de natuur. Dit soort verhalen – en nogmaals: ik heb, althans in deze zaak, geen enkele reden om zelfs maar even te twijfelen aan de juistheid van de uitspraken die collega Mondelaers hier vorige week dinsdag deed – dit soort toestanden voedt alleen maar de nog té vele vooroordelen die bij nog té veel mensen nog té vaak woekeren met betrekking tot nochtans cruciale zaken als natuurbehoud, natuurbeheer en natuurbeleid.

Dat was dus vorige week dinsdag.

Eén dag later, vorige week woensdag, was er weer een opmerkelijke uitspraak in deze raad. Ditmaal van gedeputeerde Sleypen die ons meedeelde dat zowat 40 % van alle toeristen die naar Limburg komen, dat doen omwille van de Limburgse natuur. Zowat 40 procent! En dan laat ik het percentrage toeristen dat naar hier komt om via het fietsroutenetwerk toch ook hoofdzakelijk onze NATUUR te beleven, nog buiten beschouwing.

Geeft dàt cijfer niet, beter dan wat dan ook, het belang aan van de natuur voor Limburg: niet enkel een – wellicht voor iedereen vanzelfsprekend – groot ECOLOGISCH belang, maar dus ook een – wellicht voor zeer velen verrassend – enorm ECONOMISCH belang.

Het is dus om zoveel meer dan om één reden, om zoveel meer dan om louter ecologische motieven – hoe eervol die op zichzelf ook zijn, dat het provinciale natuurbeleid de grootste aandacht en dus ook de grootste inzet van dit bestuur verdient. Onze natuurlijke én onze culturele patrimonia vormen immers zowel onze erfgoederen als instrumenten, die op de meest treffende wijze de eigenheid van Limburg steeds feller kunnen én moeten aantonen en steeds sterker kunnen én moeten uitstralen.

In een globaliserende wereld, waarin steeds meer steden steeds meer op elkaar lijken, met dezelfde winkelketens, dezelfde eethuizen, dezelfde films in dezelfde straten, gaan steeds meer mensen op zoek naar het authentieke, naar het specifieke, naar het pittoreske, kortom naar HET VERSCHIL. Het verschil maakt steeds vaker het verschil… En morgen wordt dat nog zoveel méér het geval dan vandaag. Welnu, in Limburg wordt – mede met ons cultureel erfgoed – dat zo essentiële verschil op de allereerste plaats gemaakt door ons natuurlijk patrimonium.

Zelfs de hagedis van collega Mondelaers kan dàt niet beletten…

Maar ik beloof U plechtig, mijnheer Mondelaers, dat ik het nu nooit meer zal hebben over die hagedis. Sommige collega’s met een héél slecht karakter zouden anders in de verleiding kunnen komen – zoals al eens van iemand gezegd is dat hij een cactus in de broek heeft – dat U een hagedis…

PROVINCIE: Pleidooi voor vroeger aanleren van tweede taal in basisonderwijs in Zuid-Limburg

Beleidsverklaring ONDERWIJS – 26 november 2007 – Tussenkomst van Hugo Biets

Mijnheer de gouverneur, Mijnheer de griffier, Geachte voorzitter, gedeputeerden en collega’s-raadsleden, Geachte dames en heren

In de beleidsnota Onderwijs lees ik op bladzijde 11 (ik citeer): “Limburg heeft een zeer groot aangrenzend « buitenland » waar Frans of Duits wordt gesproken. Kennis van die buurtalen is voor Limburgers zowel economisch als cultureel belangrijk en dus ook een troef in de zoektocht naar een geschikte job of een handelspartner over de grens.” (Einde citaat).

Een waarheid als een koe. Een waarheid die ongetwijfeld geldt voor heel Limburg, maar – naar mijn bescheiden mening en met betrekking tot de kennis van het Frans – nog meer, nog feller voor de gemeenten in het zuiden van de provincie, de gemeenten die het dichtst gelegen zijn bij de taalgrens met de provincie Luik.

In de jongste decennia is de kennis van het Frans, overal in Vlaanderen, dus ook in Zuid-Limburg, onmiskenbaar fel achteruit gegaan. Ik weet dat sommigen daar allerminst rouwig om zijn. Ik begrijp hun – historisch perfect verklaarbaar – vooroordeel ten aanzien van alles wat zweemt naar het Frans: het Frans als medium van verfransing, ook vandaag nog in “de Vlaamse rand rond Brussel”. Maar ik geloof niet dat zulk vooroordeel màg spelen met betrekking tot “de Vlaamse rand rond Luik”, met betrekking dus tot Zuid-Limburg.

Voorzitter,
nIk ken lang niet alle feiten en lang niet alle cijfers. Maar ik heb méér dan alleen maar de indruk dat de achteruitgang van de kennis van het Frans in de provincie Limburg recht evenredig is aan de vooruitgang van de kennis van het Nederlands in de provincie Luik. Dat is niét goed. Dat betekent dat we bezig zijn terrein te verliezen. Dat betekent dat we bezig zijn een aantal beroepsmogelijkheden te verkwisten en dus een aantal toekomstkansen te verkwanselen voor een aantal van onze Limburgse jongeren, zeker in de steden en gemeenten dichtbij de taalgrens en dat aan wéérszijden van die taalgrens. Dat is niet goed.

Laat ons toch eerlijk zijn: met een onderwijssysteem in Vlaanderen waarin het nog altijd de algemene regel is dat men pas begint met het aanleren van een tweede taal vanaf het vijfde leerjaar van het basisonderwijs en dat dan bovendien slechts gedurende drie lesuren per week, – collega’s, laat ons eerlijk zijn: dààrmee komen we er niet.
nHet vijfde leerjaar is gewoonweg té laat, zelfs veel te laat. En drie lesuren per week is gewoonweg té weinig, zelfs veel te weinig.

Moeten we dan maar voor het andere uiterste kiezen: voor de totale of quasi-totale onderdompeling in een taalbad vanaf de 1ste graad van het lager onderwijs of zelfs vanaf de kleuterklas? Ik ben geen pedagoog. Ik weet het niet en ik durf dààr dan ook niét voor pleiten.

Maar ik weet wél dat er vorig schooljaar in 17 van de Franstalige gemeenten van de provincie Luik dergelijk taalbad-onderwijs, dergelijk immersie-onderwijs aanwezig was. Waarbij tot 75 % van het aantal lesuren in het basisonderwijs, en niet zelden zelfs in het kleuteronderwijs in het Nederlands gebeurde. Terwijl het aantal tweetaligen Nederlands-Frans bij ons steeds kleiner dreigt te worden, wordt dat aantal tweetaligen in de provincie Luik dus steeds groter.

Dààrvoor blind blijven zou betekenen dat we – zoniet alle dan toch zeer vele jobs waarvoor de kennis van Nederlands én van Frans ofwel vereist ofwel zeer aanbevolen is, aan de neus van onze jongeren zien voorbij gaan: vooral voor onze jongeren in de Zuidlimburgse taalgrensgemeenten.

Voorzitter,
nIk besluit. Ik juich de projecten “CaroLingua” en “Euregio Competentie Plus”, projecten die op dit vlak in de voorliggende onderwijsnota zijn opgenomen, ten zeerste toe. Zoals ik ook de initiatieven op ditzelfde vlak van de Vlaamse overheid toejuich. Maar ik vrees oprecht dat we verder moeten denken, verder moeten durven en verder moeten doen.

Ik vind met name dat de algemene regel (en dus niét de uitzondering) met betrekking tot het basisonderwijs in de Zuidlimburgse taalgrensgemeenten, de verplichting zou moeten inhouden van beduidend meer lesuren Frans vanaf een beduidend vroegere leeftijd dan het vijfde leerjaar.

Ik vraag de gedeputeerde hierover een overleg te organiseren met de schoolbesturen om alvast een aantal proefprojecten van die aard in het zuiden van de provincie op te starten. Ik vind dit thema immers té belangrijk om de verantwoordelijkheid ervoor uitsluitend te leggen bij – of door te schuiven naar de individuele schoolbesturen, niet in het minst in het licht van de doorgaans zware overlevingsstrijd die vele van de nog resterende kleinere scholen in onze dorpen élke dag moeten voeren. Noem het voor mijn part gerust een pleidooi voor een zachte maar noodzakelijke “pedagogische tik” vanuit de provincie.

Collega’s, Ik weet niet of zo’n voorstel politiek realistisch is
nIk weet niet of zo’n voorstel enige kans maakt op slagen. Maar ik troost mij – alvorens zelf te zwijgen – met het woord van Willem de Zwijger: “Point n’est besoin…”: “Het is NIET nodig te hopen om te ondernemen, NIET nodig te slagen om te volharden”.

Trouwens, aan wie bij voorbaat zekerheid wil van “slagen”, geef ik de goede raad: word bokser! Want als bokser is er natuurlijk méér kans op …slagen.

Ik dank u.